
Liever neervoeden dan positief opvoeden
Blog van Bert Wienen, oprichter van het Instituut voor Inclusief Onderwijs en Pedagogisch Perspectief en onderzoeker, 27 maart 2023
Ouders en beleidsmakers lijken het over één ding eens: opvoeden moet positief. Geen dwang, geen straffen, geen autoritaire kaders. Nee, de moderne ouder is een coach, een begeleider, een partner in de ontdekkingstocht van het kind. “Positief opvoeden” is de heilige graal van het huidige jeugdbeleid en deze samenvoeging komen we zelfs tegen in de Hervormingsagenda en onlangs lag bij ons op de deurmat ook een uitnodiging van de gemeente om te komen op een avond voor “positieve opvoeders”. Het draait om stimuleren, begeleiden, ruimte geven. Hoe dan ook, het moet positief. Opvoeden gaat in dit denken altijd over de plus. Maar er schuilt een paradox in deze positieve benadering, een subtiele valkuil die Johan Huizinga (1872-1945) al lang geleden doorzag.
Huizinga wijst in Homo Ludens (1938) op een tendens die je zou kunnen omschrijven als "neervoeden": het proces waarin speelse activiteiten langzaam verworden tot serieuze, gereguleerde structuren. Spel – de vrije, ongedwongen expressie van creativiteit – wordt opgeslokt door systemen, procedures en regels. En precies dat lijkt te gebeuren met opvoeding. Wat begon als een speelse, organische wisselwerking tussen kind en volwassene, is nu een wetenschappelijke discipline geworden, vol richtlijnen en evidence-based methoden.
We zien het overal. Kinderen mogen spelen, maar dan het liefst in ‘stimulerende omgevingen’. Spelen mag, maar het moet ‘leerzaam’ zijn. Een potje ravotten in de modder? Prima, zolang het bijdraagt aan de sensomotorische ontwikkeling. Zelfs vrije tijd wordt geoptimaliseerd: een kind moet niet zomaar tekenen, het moet creatief gestimuleerd worden. Elke spontane handeling krijgt een doel, een kader, een educatieve meerwaarde. In ieder geval in iets waarvan het effect niet in het ‘nu’ is maar in de toekomst. En zo verwordt opvoeding, net als zoveel andere speelse menselijke activiteiten, tot een gereguleerd project waarin de oorspronkelijke speelsheid langzaam verdwijnt.
Het tragische is dat dit precies is wat Huizinga vreesde: een samenleving die het spel onderschat en het systematisch inboet ten gunste van ‘serieuze’ vooruitgang. Natuurlijk, positief opvoeden heeft prachtige idealen: een kind niet vernederen, een veilige omgeving bieden, respect tonen. Maar wat als we in onze drang naar een perfect pedagogisch klimaat onbedoeld het meest natuurlijke element van kind-zijn – het echte vrije spel – ondergraven?
De ironie is dat positief opvoeden juist doorslaat in controle. Ouders worden aangespoord om elk aspect van de ontwikkeling te monitoren. Wat eet het kind? Hoeveel schermtijd krijgt het? Hoe goed scoort het op sociale vaardigheden? Alles wordt afgemeten aan richtlijnen en tabellen, alsof een kind een project is dat tot in de puntjes geoptimaliseerd moet worden. Maar wat als we minder controle nodig hebben in plaats van meer? Wat als een kind soms juist beter leert door te struikelen, te falen, te experimenteren zonder dat een volwassene er direct betekenis aan toekent?
Misschien is de beste manier om positief op te voeden juist om controle los te laten en ruimte te geven. Om niet overal een plan achter te zetten. Om kinderen te laten dollen zonder een ‘stimulerende activiteit’ in de agenda. Om regels te geven zonder dat die verworden tot een verstikkend systeem. Want als “positief opvoeden” alleen nog maar gaat over hoe het moet, vergeten we misschien wel waarom het er werkelijk toe doet. Soms is neervoeden juist meer nodig. Soms is het loslaten van de regels en de monitoringsapps de enige manier om ruimte te geven aan echt spel, aan echte ontdekking en aan echt opgroeien. Kortom, een beetje minder positief opvoeden zou in deze tijd juist wel eens heel belangrijk kunnen zijn.